Informatici moeten keuzes maken

Nederlands onderzoek is toe aan forse dosis creativiteit en uitdaging

Bijna geen onderzoek is zo over de universiteiten uitgesmeerd als informatica. Toegang tot onderzoekssubsidies is hierdoor lastig. Ook blijven Nederlandse informatici door hun deelname aan natuurkundig en medisch onderzoek achter in fundamenteel onderzoek.

Waar is Nederland goed in?
Traditioneel is Nederland goed in de theoretische kant van de informatica. Die positie is enigszins onder druk komen te staan door het steeds grotere belang dat aan toepassingen gehecht wordt. In de beoordeling van Qanu in 2004 zijn het echter nog altijd de theoretische groepen die het hoogst scoren.
Absoluut sterk is Nederland op het gebied van netwerken, mede omdat Amsterdam een wereldknooppunt voor internetcomputers is. Met snelle verbindingen wordt hier gepionierd, maar ook met de toepassingen waarvoor die verbindingen een randvoorwaarde zijn, zoals grid computing. Dit laatste is een typisch voorbeeld van een toepassing die voor verschillende andere vakgebieden relevant is, maar die om zoveel investeringen vraagt dat die vakgebieden het niet zelf aankunnen. Dat geldt ook voor een ander gebied waar NWO veel van verwacht, visualisaties. De noodzaak om peperdure apparatuur aan te schaffen dwingt tot samenwerking.
Internationaal heeft Nederland ook een goede naam op het gebied van software engineering en computerveiligheid. De halve wereld leert de principes van besturingssystemen uit boeken van VU-hoogleraar Andrew Tanenbaum, die ook de enige Nederlander is die doordringt tot de top-honderd van meest geciteerde informatici. Dankzij Philips staat ook het programmeren van embedded systemen hier te lande op een hoog niveau.
"Er zijn vakgebieden in Nederland die uitstekend georganiseerd zijn, zoals natuurkunde en sterrenkunde", zegt prof. dr. Paul Klint met een zweem van jaloezie in zijn stem. Klint is voorzitter van de adviescommissie Informatica van onderzoeksorganisatie NWO en als zodanig de aangewezen persoon om overzicht te houden over wat zich in het veld afspeelt. "Daar werken ze samen, maken afspraken over wie wat doet."
Informaticaonderzoekers zijn die weg pas recent ingeslagen met het opstellen van de Nederlandse Onderzoeksagenda Informatica 2001-2005 (Noag). Inmiddels heeft het Informaticaonderzoek Platform Nederland, eveneens onder leiding van Klint, een opvolger gereed die reikt tot 2010. "Daarin proberen we minder te redeneren vanuit de onderzoeksdisciplines", zegt Klint. "We kiezen thema's die maatschappelijk herkenbaar zijn - al zorgen we er natuurlijk wel voor dat die thema's aansluiten bij waar we goed in zijn."

Talentontwikkeling

Een van de centrale punten in de eerste Noag was talentontwikkeling: het Nederlandse informaticaonderzoek is door de bank genomen dik in orde, maar het ontbreekt aan gezichtsbepalende toppers. Dat is een handicap in de strijd om onderzoeksgelden. De stichting Qanu (Quality Assurance Netherlands Universities), die namens de gezamenlijke universiteiten periodiek de kwaliteit van onderzoek en onderwijs onder de loep neemt, bevestigde dit beeld bij zijn laatste rondgang langs de informaticavakgroepen eind vorig jaar. De kwaliteit is er de laatste vijf jaar op vooruit gegaan en mag op sommige vlakken uitstekend genoemd worden, maar het ontbreekt aan potentieel baanbrekend onderzoek. Het avontuur is ver te zoeken in het Nederlandse informaticaonderzoek, al is Klint daar optimistischer over.
De voornaamste bedenking van Qanu betrof echter versnippering. Informaticaonderzoek in Nederland is niet alleen verspreid over erg veel universiteiten, maar binnen die universiteiten vaak ook nog eens over verschillende faculteiten. Volgens Qanu is informatica erbij gebaat als er meer nationale afstemming komt in het onderzoek. Met name de vakgebieden veiligheid, netwerken, hardware, 'ubiquitous computing' en programmeertalen zouden daarvan kunnen profiteren.
De twee andere punten die de Noag in 2001 voorop stelde, waren interactie met aanpalende wetenschappen en toepassingsgericht onderzoek. Ook daar constateerde Qanu een paar jaar later dat die opzet geslaagd was: er is meer interdisciplinair onderzoek, zoals bio-informatica, en er ligt een zwaarder accent op toepassingen. De conclusie is gerechtvaardigd dat centrale sturing van het informaticaonderzoek effectief is.

Sterrenwacht

Toch is er nog heel wat nodig wil informatica zo sexy en succesvol zijn als, om maar een zijstraat te noemen, nanotechnologie. "Ik heb eens een sterrenkundige horen zeggen dat het heelal zijn pr-machine is", zegt Klint, die hoogleraar software engineering is bij de Universiteit van Amsterdam. Bij het Centrum voor Wiskunde en Informatica in Amsterdam is hij hoofd van de afdeling Software Engineering. "Wij informaticaonderzoekers zijn er nog niet in geslaagd om ons vak zo uitdagend te presenteren. Nederland heeft een heel systeem van volkssterrenwachten. Er zijn goede banden tussen hoogleraren en amateurs. Waarom hebben Nederlandse informaticaonderzoekers geen innige banden met bijvoorbeeld de Hobby Computer Club? Contacten tussen universiteiten en de open-sourcegemeenschap zijn spaarzaam en games - bij uitstek een computertoepassing die tot de verbeelding spreekt - hebben we jarenlang links laten liggen."
Natuurlijk is informatica een diffuser vakgebied dan sterrenkunde, maar dat wil Klint niet als excuus aandragen. De Nederlandse informatica-onderzoeksgemeenschap heeft nog niet de organisatiekracht opgebracht om in elk geval te proberen een diepere verankering in de maatschappij te vinden. Dat wreekt zich ook in de studentenaantallen.
Daar staat tegenover dat het directe maatschappelijke nut van informatica veel groter is dan dat van astronomie. Het gevolg daarvan is echter dat er veel harder aan informatici getrokken wordt om met direct toepasbare resultaten te komen. Klint: "Daardoor is er in onvoldoende mate ruimte voor fundamenteel werk. Een typisch voorbeeld is quantum computing. Daar zullen we de eerstkomende twintig jaar niks aan hebben en misschien wordt het wel nooit iets, maar ik vind toch dat je er iets aan moet doen."

Taakverdeling

"Iedere informaticaopleiding in Nederland heeft zijn sterke en zwakke kanten", zegt Klint. "Daardoor is er informeel al sprake van een zekere taakverdeling. Bovendien is het onvermijdelijk dat er meer samenwerking komt op het gebied van opleidingen, niet alleen tussen universiteiten onderling, maar ook tussen universiteiten en hbo. En als je efficiënter met je middelen omgaat in het onderwijs, kan het ook zo zijn dat je je onderzoek concentreert."
Klint zegt het voorzichtig, maar je hoeft geen helderziende te zijn om op te merken dat werkelijke coördinatie van onderzoek en genereren van toponderzoek ook kan betekenen dat je activiteiten op een bepaald gebied op één locatie concentreert. De drie technische universiteiten hebben dit proces voor de volle breedte van hun onderzoek ingezet, maar met z'n drieën is het spel van geven en nemen stukken eenvoudiger dan met z'n elven, want zoveel informaticafaculteiten zijn er - om nog maar te zwijgen van de vele hogescholen die voorzichtig onderzoeksafdelingen uit de grond aan het stampen zijn.
Willen de Nederlandse informaticaonderzoekers hoger scoren op de schalen van kwaliteit en financiering, dan zullen ze het lef moeten opbrengen om duidelijke keuzes te maken. Dat zal niet meevallen. "Onderzoekers zijn altijd op zoek naar financiering van hun onderzoek en hebben daarbij de neiging te streven naar succes op de korte termijn", concludeert Klint. "Maar voor echt grootschalige onderzoeksprogramma's moet je samen optrekken. Als we daar de argumenten niet voor kunnen leveren, verdienen we ook geen geld."
 
Opzet Nederlandse informaticaonderzoek
De spin in het web van het Nederlandse informaticaonderzoek is NWO. Deze organisatie kreeg dik tien jaar geleden van onderwijsminister Ritzen een sterkere regiefunctie voor al het wetenschappelijke onderzoek in Nederland, omdat de universiteiten te veel hun eigen stokpaardjes zouden berijden. Voor elk vakgebied heeft NWO een adviescommissie, dus ook voor informatica. NWO verdeelt vandaag de dag ongeveer een derde van de reguliere onderzoeksgelden. De rest gaat rechtstreeks naar de universiteiten.
Omdat het ministerie van Economische Zaken, vanwege het economische belang van ict, ook een vinger in de pap wil, heeft het vorig jaar echter samen met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een ict-regieorgaan opgericht. Dat houdt zich eveneens bezig met het sturen van informaticaonderzoek en het is ook ondergebracht bij NWO. Deze tak via EZ heeft vooral invloed op incidentele subsidies, bijvoorbeeld uit de aardgasbaten.
Binnen NWO neemt de technologiestichting STW een zelfstandige plaats in. Informatica geldt niet als technologie maar als exacte wetenschap. Toch geeft ook STW vanuit zijn eigen beleidsdoelstellingen subsidies aan informaticaonderzoek. Dat geldt evengoed voor Senter Novem, het agentschap voor duurzaamheid en innovatie van EZ. Al met al zijn er dus op nationaal niveau vier invloedrijke onderzoeksfinanciers voor informatica, die alle vier hun eigen agenda hebben.
Vanuit de andere kant geredeneerd is het informaticaonderzoek georganiseerd in onderzoeksgroepen en faculteiten. Interuniversitair wordt er samengewerkt in een handvol onderzoekscholen. Die onderzoekscholen zijn weer verenigd in het Informaticaonderzoek Platform Nederland (IPN), waaraan ook NWO deelneemt. In theorie is dat IPN dus het nationale scharnierpunt waar sturing van boven de organisatie van onderop ontmoet, maar in de praktijk zijn er zoveel deelbelangen dat het coördineren van informaticaonderzoek een hele klus is.

 

http://www.qanu.nl
http://www.informaticaplatform.nl
http://homepages.cwi.nl/~paulk


x

Om te kunnen beoordelen moet u ingelogd zijn:

Dit artikel delen:

Stuur dit artikel door

Uw naam ontbreekt
Uw e-mailadres ontbreekt
De naam van de ontvanger ontbreekt
Het e-mailadres van de ontvanger ontbreekt

×
×
article 2005-12-23T00:00:00.000Z Christian Jongeneel
Wilt u dagelijks op de hoogte worden gehouden van het laatste ict-nieuws, achtergronden en opinie?
Abonneer uzelf op onze gratis nieuwsbrief.