Kunstmatige intelligentie bestaat niet

Filosofie technologische ontwikkeling ontbeert historisch kader

Het ideaal van kunstmatige intelligentie om een computer te ontwikkelen die het menselijk denken sublimeert, is een utopie. Dit zegt filosoof Sybe Izaäk Rispens, die de verwachtingen van eeuwen terug rond het mechaniek van de tijd vergeleek met het denken over computers nu.

Het is koud in Berlijn. De kerstshoppers reppen zich van glühwein naar gepofte kastanjes: een mooie omgeving voor een gesprek met de in Berlijn wonende dr. Sybe Izaäk Rispens (36). Hij promoveerde in november aan de Rijksuniversiteit Groningen met een proefschrift over chronometrie, computers en bewustzijn. In 'Machine Reason' beschrijft hij de historie van de mechanische klok en de computer en trekt vervolgens een parallel, met een uiterst onpopulaire conclusie over de toekomst van kunstmatige intelligentie. Terwijl links en rechts borden met enorme schnitzels passeren, vertelt hij in café Markthalle in Kreuzberg geanimeerd over de onderzoeksvraag of computers van menselijke intelligentie te voorzien zijn. De grondslag van deze vraag is wat denken eigenlijk is. "Die vraag drijft mij al jaren."

Hersensignalen

Rispens was in de jaren negentig een 'computerfreak'. Hij studeerde elektrotechniek in Leeuwarden en Enschede, met als specialisatie sensoren, actuatoren en interfaces. Als onderdeel van zijn studie belandde hij bij het Academisch Ziekenhuis Groningen op de afdeling Ontwikkelingsneurologie. Daar bogen wetenschappers zich over de vraag hoe de menselijke hersenen zich ontwikkelen voor het tiende levensjaar. Op band namen ze hersensignalen op; die werden naar Utrecht gestuurd en vier weken later kwamen ze gedigitaliseerd terug. Rispens opdracht was een oplossing te bedenken zodat neurologen direct konden rekenen met de hersensignalen die ze maten. Op een MSDOS-computer (want dit is begin jaren negentig) maakte hij de externe hardware en software die nodig was om de stroom die hersenen produceren in data om te zetten, waar vervolgens mee gerekend kon worden.

Het AI-debat
Het debat over kunstmatige intelligentie gaat over de vraag of machines ooit taken kunnen verrichten die tot nu toe voorbehouden zijn aan mensen. Voorstanders zeggen van wel, tegenstanders van niet. Een minderheid zegt 'ja, mits' of 'nee, tenzij'. Rispens laat zich niet zo makkelijk in een kamp plaatsen. Hij praat liever over de manier waarop mensen tot argumenten komen dan over de argumenten zelf en brengt alles terug tot de vraag wat intelligentie nu precies is. Na doorvragen naar zijn mening over denkende machines, zegt hij voorzichtig drie punten van kritiek te hebben op de computer als model voor intelligentie. "Ik ben niet overtuigd dat het verschil tussen de computer en het menselijke brein alleen in rekensnelheid en geheugencapaciteit ligt. Ten tweede geloof ik niet dat intelligentie begrepen kan worden door een computerprogramma te schrijven dat zogenaamd intelligent gedrag zou vertonen. En tot slot kan een computer de context van een bepaald programma niet verbreden zonder menselijk ingrijpen. Een computer kan wel leren schaken, maar zodra hij buiten het schaakbord moet denken, is hij hulpeloos."
Het project bleek bepalend voor zijn verdere loopbaan. De vragen 'wat is denken' en 'kunnen we intelligente machines maken' waren opgeworpen en lieten hem niet meer los. De antwoorden lagen echter niet in de techniek en dus ging hij filosofie studeren in Amsterdam. "Ik heb me tijdens die tweede studie volgezogen met denktradities van het westen." Het bleek niet voldoende. "Aan de ene kant had ik de technologie, aan de andere kant de filosofie. Wat ontbrak was historisch perspectief." En hij vertrok in 1995 voor zijn derde studie. Ditmaal naar Berlijn, waar de Technische Universiteit als enige geschiedenis van natuurwetenschappen en techniek in een zelfstandige faculteit doceert. Het bleek het ontbrekende stuk. "Die studie heeft mijn ogen geopend. Alles wat ik had geleerd, viel op zijn plek."

Machine Reason

In 1996 vatte hij het idee op om een boek te schrijven. Hij volgde colleges over de geschiedenis van de wetenschap, maar werkte ook als wetenschapsjournalist. In die rol interviewde hij tal van personen over kunstmatige intelligentie. "Ik kwam tot de ontdekking dat wetenschappers van nu op dezelfde manier denken als hun collega's van vierhonderd jaar geleden. Ze richten allemaal de blik naar voren, ze willen allemaal nieuwe dingen doen. Maar ze bouwen voort op bevindingen uit het verleden." Volgens Rispens ontbrak het historisch perspectief in hun onderzoeksmethoden. Hij begon een eigen zoektocht, naar 'iets ouds' dat hij kon vergelijken met de uitvinding van de computer nu. "Pas wanneer je een historisch voorbeeld hebt, kan je genoeg afstand nemen."
En afstand was noodzakelijk, vond hij, want het debat over kunstmatige intelligentie lijkt wel op religie in de heftige reacties die het oproept. "Die religieuze vorm van discussie vind ik niet zo zinvol", zegt Rispens droog. "Daarbij denken voorstanders en tegenstanders allemaal vanuit hetzelfde theoretische kader. Dat wilde ik veel breder maken."

Computerhistorie

Het gebruikelijke historische kader begint bij de jaren veertig. Verschillende ontwikkelingen kwamen samen en leidden enerzijds tot immer complexere rekenmachines en anderzijds tot het besef dat het menselijke brein met een biologische machine vergeleken kon worden. Zo ontstond het idee dat ooit een machine gebouwd kon worden, met eenzelfde (of liefst nog meer) intelligentie dan de mens.
De grondslag van de hedendaagse computer is echter veel ouder. De ponskaart werd immers in de achttiende eeuw al uitgevonden. Mannen als Leibniz, Jacquard en Babbage ontwikkelden ideeën die nu nog worden toegepast. Wat Rispens zocht was echter niet zozeer de oorsprong van de computer, als wel een uitvinding die hij er mee kon vergelijken. "Ik wilde een model dat de rol van een nieuwe techniek, zoals de computer, in de samenleving kon spiegelen." Hij ging systematisch te werk en onderzocht radio, televisie, telegraaf, telefoon en stoommachine. Vooral die laatste uitvinding leek in eerste instantie even revolutionair als de computer. In de industriële revolutie werd mankracht vervangen door stoomkracht. De machtsverhoudingen in de westerse wereld verschoven. "Maar al die uitvindingen waren alleen tot op zekere hoogte gelijk aan de computer. De stoommachine produceert bijvoorbeeld kracht, de computer niet. Die kan alleen maar informatie verwerken en dat maakt hem anders dan al het andere. De televisie is niets meer dan een soort telescoop. De computer is automatisch, autonoom en zijn product is niet tastbaar."

Abstraheren

De uitvinding die uiteindelijk het meest leek op die van de computer, was de mechanische klok. "Mijn eerste reactie was 'Dit is toch veel te oud!', want de eerste klok werd in de dertiende eeuw bedacht. Maar als je abstraheert van allerlei materiële verschillen tussen beide machines, klopt het. De mechanische klok is volstrekt autonoom. Je zet hem aan en hij loopt. Maar net als de computer, doet een klok niets. Hij heeft geen product, hij verwerkt informatie."
De revolutie van de klok is veel groter geweest dan die van de industriële revolutie. Eenmaal uitgevonden, verspreidde het wonderbaarlijke apparaat zich met grote snelheid door Europa. Mechanische klokken gaven de stand aan van de maan en de planeten. Ze waren een verbinding tussen het magische en het realistische, tussen het religieuze en het wereldse. Dankzij de mechanische klok werd het uitrekenen van Pasen een eitje. "De mate van revolutie zit in lagen," vertelt Rispens. "Financieel, sociaal, technisch." Maar bij beide speelt ook de fascinatie voor het apparaat als verlengstuk van de menselijke geest en dat maakt hun status uniek.

Filosofie van het mechaniek

Rispens is niet de eerste die de verbinding legt tussen klok en computer, maar volgens hem waren het eerder alleen filosofen en zij gebruikten te weinig historische en technische onderbouwing. Wat hij 'het allerboeiendst en allerspannendst' vindt aan de hele parallel, is de rol van de klok en de computer in het filosofisch debat. "In de zeventiende eeuw was de grote filosofische discussie of dieren machines waren. Dat was toen een heel normale vraag, zoals computers nu de vraag opwerpen wat intelligentie is. Wetenschappers dachten toen dat de natuur bestond uit hele kleine radertjes. Zo bewogen vogels hun vleugels, dat deed een hond blaffen. Het idee van Gods wil werd verlaten voor dat van oorzaak en gevolg." Ging je daarvoor niet op de brandstapel? "Nee, dat was alleen als je ruzie had met de buurman en zijn koe ging op onverklaarbare wijze dood."
De heersende mening onder wetenschappers was dat de natuur mechanisch was. De mechanische klok was de hoogste en meest complexe vorm van techniek, zoals de computer nu. Dat werd het model voor de wetenschap en de metafoor van die tijd. "Ze bouwden zelfs de natuur na. Er zijn in musea bijvoorbeeld nog hele mooie mechanische muggen uit die tijd. Als ze wisten hoe het mechanisme werkte, dachten ze alles te kunnen uitrekenen. Natuurkunde heette ook mechanische filosofie." Net zoals de klok toen, beïnvloedt de computer van nu de waarneming van wetenschappers. Andere metafoor, zelfde methode. Dit is volgens Rispens het probleem in de discussie over kunstmatige intelligentie. "We zitten namelijk in hetzelfde schuitje. We kunnen geen afstand nemen van de computer en zeggen: 'Kijk, het is maar een model'. We zitten er middenin. Wat we wel kunnen doen is een historische parallel trekken die, wat de ideeën erachter betreft, klopt en ons vervolgens afvragen: hoe ging het vroeger?"
Pas in de achttiende eeuw werd duidelijk dat het idee van de natuur als iets mechanisch, niet verfijnd genoeg was. Zelfs hele kleine radertjes konden niet alles verklaren. Men ontdekte ook dat, hoe geavanceerd klokken ook waren, ze nooit zelf zouden kunnen denken.

Vijftig jaar verder

De term kunstmatige intelligentie is vijftig jaar oud en met zijn proefschrift waarschuwt Rispens dat we voorzichtig moeten zijn met denken dat het ons deze keer wel lukt om een denkende machine te creëren. "De claims die mensen maken moeten we met een korrel zout nemen. Kijk maar naar vierhonderd jaar geleden, toen dezelfde discussies werden gevoerd met een vergelijkbare techniek." De voorstanders van kunstmatige intelligentie zeggen dat onze machines steeds complexer worden. Als ze nu dit kunnen, zeggen ze, wat kunnen ze dan over twintig jaar? Deze methode heet extrapolatie en is er een die Rispens wantrouwt. "Twintig jaar is trouwens een psychologische grens, die te maken heeft met de lengte van een mensenleven. Het is lang genoeg om ver weg te zijn en kort genoeg om er het nog mee te maken."

Onpopulair standpunt

Rispens' conclusie is niet populair onder onderzoekers van kunstmatige intelligentie. Professor Douwe Draaisma zei tijdens de laudatie dat het belangrijk is dit soort conclusies te durven trekken, ook al maak je er geen vrienden mee. Rispens lijkt er niet warm of koud van te worden. "Mensen denken graag dat zij iets anders doen dan in het verleden is gedaan. Dan blijkt dat ze dezelfde dingen doen als eeuwen geleden."
Aan het slot van het gesprek benadrukt hij dat de twee vragen 'wat is denken' en 'kunnen we intelligente machines maken' de twee grootste onopgeloste wetenschappelijke vraagstukken van de 21e eeuw zijn. "Met mijn boek heb ik vooral methodische aanknopingspunten willen bieden: welke richting moet het onderzoek naar kunstmatige intelligentie opgaan? Wat voor manieren van denken zijn veelbelovend, welke misleiden ons juist of voeren het onderzoek op een doodlopend spoor?"

Richtlijnen voor debat

In zijn boek biedt Rispens richtlijnen die in toekomstig onderzoek gebruikt kunnen worden. Het denken vanuit een breder historisch kader, bijvoorbeeld. Maar ook het beperken van de rol van technologie in het debat. "Technologie moet nooit het laatste woord hebben. Dat beperkt het gebied van de discussie, omdat technologie bepaalde dingen nooit kan bereiken. Zoals subjectieve beleving." Ook adviseert hij populaire vooronderstellingen opnieuw te herzien. Hoe sterk is de fysieke overeenkomst tussen hersenen en computers eigenlijk? Is het wel zo dat de natuur geanalyseerd kan worden aan de hand van allerlei modellen? En waak voor 'technologische equivalentie', met andere woorden: je kunt een robot programmeren als een hond, maar daarmee is het geen hond geworden.
 

Sybe I. Rispens, Machine Reason. A History of Clocks, Computers and Consciousness, 352 p.
Het boek kan momenteel alleen besteld worden bij de auteur via http://www.rispens.de.


 
Karina Meerman

x

Om te kunnen beoordelen moet u ingelogd zijn:

Dit artikel delen:

Reacties

OK, het heeft even geduurd, maar nu is er dan toch een doorbraak op het gebied van Artificiële Intelligentie: http://mafait.org.

Doorgaans worden de onderzoeken naar Artificiële Intelligentie gebaseerd op de evolutie-theorie, ondanks dat die theorie wetenschappelijk onderuit gehaald is. Door het uitblijven van resultaat (vreemd?), vervielen veel wetenschappers in het najagen van hypes.

Thinknowlogy is absoluut evolutie-theorie-vrij en toont aan dat het (de verborgen logica in) natuurlijke taal 'begrijpt', door:
• het zelfstandig trekken van conclusies uit zinnen in natuurlijke taal;
• de spelregels van Vier-op-'n-rij in natuurlijke taal in te lezen én uit te voeren.

De Preview en Theorie tonen ook al:
• het zelfstandige doen van aannames, gepland voor nov. 2010;
• het zelfstandige stellen van vragen, gepland voor mei 2011.

Stuur dit artikel door

Uw naam ontbreekt
Uw e-mailadres ontbreekt
De naam van de ontvanger ontbreekt
Het e-mailadres van de ontvanger ontbreekt

×
×
article 2005-12-23T00:00:00.000Z Karina Meerman
Wilt u dagelijks op de hoogte worden gehouden van het laatste ict-nieuws, achtergronden en opinie?
Abonneer uzelf op onze gratis nieuwsbrief.