Veel twijfels bij start nieuw Europees onderzoeksprogramma KP6

De vergeefse jacht op de VS

Dit artikel delen:

Het Zesde Kaderprogramma voor r&d (met een focus op ict) is voor Europa van cruciaal belang om in 2010 de meest concurrerende regio ter wereld te worden. Maar ondanks een zinderende start in Brussel en Kopenhagen bestaan er twijfels over de haalbaarheid van de ambitieuze doelstellingen. Dat geldt zeker voor Nederland. Ons land wil immers in 2010 tot de Europese top behoren. Een verkennend onderzoek naar het realiteitsgehalte van een mooie droom.

Philippe Busquin, Europees commissaris voor Onderzoek, beleeft drukke en glorieuze tijden. Hij is de architect van het nieuwe zesde Europese Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling (2002-2006). Dat programma is afgelopen weken met imponerende bijeenkomsten van start gegaan. Neem de conferentie in Brussel: ruim 9000 bezoekers uit 66 landen. De IST-conferentie begin november in Kopenhagen mocht er ook zijn: 2700 bezoekers uit 77 landen. Deze cijfers vormen een perfecte illustratie van wat Busquin nastreeft: grootschaligheid. De beste onderzoekcentra in heel Europa moeten bijeen worden gebracht in één netwerk. Waarom? Busquin: "Alleen zo kunnen we bijdragen aan wetenschappelijke topkwaliteit en het bereiken van kritische massa op EU-niveau".

Europa versus USA

De nieuwe richting die de Europese Unie inslaat met het Zesde Kaderprogramma (KP6) wordt vooral ingegeven door de ambitie de r&d-kloof met de Verenigde Staten te dichten. Dat probleem speelt in Europa in tal van sectoren al enige decennia. Met informatie- en communicatietechnologie deed het oude continent het lange tijd zo gek nog niet. In 1990 hadden Europa en de VS beide nog een marktaandeel van 35 procent in de mondiale ict-markt. Maar in 1996 was dit beeld drastisch, om niet te zeggen dramatisch, veranderd: VS 41 procent tegen Europa 28 procent. Sinds die tijd loopt Europa achter de feiten aan. Dit terwijl de ict-industrie sinds begin jaren negentig de snelstgroeiende industrie ter wereld is, zowel wat betreft de behaalde omzet als het scheppen van nieuwe werkgelegenheid.

Brusselse subsidiepotten opnieuw gevuld
FP6, uit te spreken als ef pie siks, is in het internationale beleidsjargon de aanduiding voor het zesde Europese Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling. De Nederlandse vertaling luidt simpelweg KP6. Het programma heeft als looptijd 2002-2006 en is voorzien van 17,5 miljard euro aan stimulerings- en subsidiegeld. Driekwart daarvan gaat naar een zevental thematische gebieden: biowetenschappen, ict, nanowetenschappen, lucht- en ruimtevaart, voedselveiligheid, burgers en bestuur in de kennismaatschappij, en tenslotte duurzaamheid. Het ict-deel, sinds jaren ondergebracht in het subprogramma Information Society Technologies (IST), krijgt met 3,65 miljard euro relatief het meeste geld toebedeeld.
Tegen deze achtergrond kwamen de Europese regeringsleiders in maart 2000 in Lissabon bijeen voor een ict-top. Ze formuleerden daar een mooie droom: 'Europa gaat de achterstand op de VS omzetten in een voorsprong en zal in 2010 de nr. 1 van de wereld zijn.' Nu is er niets tegen dromen, integendeel. Dromen vormen krachtige prikkels om mensen in beweging te krijgen. De geloofwaardigheid vereist wel dat een neerslag plaatsvindt in concrete resultaten, en dat wil maar niet voldoende lukken.
Tweeënhalf jaar na het uitspreken van de ict-droom in Lissabon is de r&d-achterstand op de VS niet kleiner maar groter geworden. Daar getuigen reeksen neerslachtig-stemmende cijfers van. Een kernoorzaak is dat Europese bedrijven aanzienlijk minder investeren in r&d dan hun Amerikaanse tegenvoeters. Dat maakt het Europese Kaderprogramma extra belangrijk, al vormt het bedrag van 17,5 miljard euro 'slechts' 5 procent van de totale r&d-investeringen in Europa. Maar door het inzetten van deze subsidiepot kunnen grotere r&d-investeringen van bedrijven worden uitgelokt, zo is de redenering.
Het Vijfde Kaderprogramma (1998-2002) heeft niet bijgedragen aan het inlopen van de achterstand op de VS. De projecten daarin waren te gefragmenteerd en te klein, analyseren de Brusselse beleidsmakers nu. Vandaar dat het Zesde Kaderprogramma geheel anders moet worden: grote internationale r&d-projecten van tientallen miljoenen euro's waarmee kritische massa is te genereren. 'Vormgeven aan de Europese onderzoeksruimte', heet dat in het nieuwe jargon.

Enthousiasme en scepsis

Op de IST-conferentie begin november in Kopenhagen stappen een aantal congresbezoekers optimistisch rond. Meestal gaat het daarbij om deelnemers uit de dertien kandidaat-lidstaten van de Europese Unie. Die staten mogen voor het eerst volwaardig meedoen aan het binnenhalen van geld uit de Brusselse subsidiepotten. Dat is natuurlijk een vrolijk stemmend vooruitzicht. Kandidaat-lidstaat Turkije vaardigde bijvoorbeeld meer deelnemers af dan Nederland (79 tegen 71), maar ook Polen (46) en Hongarije (37) waren goed vertegenwoordigd.
Het optimisme van de 'nieuwelingen' vormde een van de oorzaken van de scepsis bij de gevorderden uit de EU-lidstaten. Het totale budget voor KP6 is ten opzichte van het vorige programma nauwelijks gestegen, terwijl er nu meer lidstaten zijn die mogen meedelen. Dat maakt de spoeling dunner.
Daar komen nog eens de nieuwe projecteisen bij. De ambitie dat r&d-projecten tientallen miljoenen euro's moeten omvatten, betekent voor vrijwel alle ervaren deelnemers dat ze met meer partners in zee moeten gaan dan ze gewend zijn. Het was dus zaak tijdens de conferentie voortdurend op zoek te zijn, ook onder nog onbekende partijen. Dergelijke geforceerde samenwerkingsverbanden verhogen de slaagkansen van projecten natuurlijk niet, zo luidde een vaak gehoorde opmerking op de congresvloer.
Ook andere nieuwe eisen leiden tot verzwaring. Zo heeft de Europese Commissie besloten dat de administratieve projectlasten verschuiven van de Brusselse burelen naar de projectpartners. Brussel gaat voornamelijk via rondreizende controleurs toezicht houden op de projectadministraties. Een volgende verandering is dat de partners financieel verantwoordelijk worden voor hun r&d-project. Waar die verantwoordelijkheid nu precies komt te liggen, was voor veel deelnemers niet precies duidelijk te krijgen. Er werd druk over gedebatteerd. Vast staat wel dat partijen die als projectcoördinator optreden, het een stuk zwaarder krijgen dan in het verleden.
Het idee om het Zesde Kaderprogramma te laten passeren was, ondanks de geschetste problemen, ook niet populair. Nu verstek laten gaan zou een slechte uitgangspositie kunnen betekenen als over enige jaren het Zevende Kaderprogramma van start gaat. Echt vrolijk wilde het maar niet worden op die drukbezochte IST-conferentie in Kopenhagen.

Hoe zit 't met het mkb?

De uitreiking van de jaarlijkse IST Awards vormde een plezierige afwisseling tijdens de conferentie. Twintig ondernemers uit het Europese midden- en kleinbedrijf krijgen veel lof toegezwaaid. Niet eerder is het innovatieniveau van de ingezonden ict-toepassingen zo hoog geweest, wordt hen door een trits sprekers voorgehouden. Jammer genoeg ontbreekt een Nederlands bedrijf bij de laatste twintig genomineerden.
Tja, het mkb. De economische ruggengraat van Europa, goed voor 66 procent van de werkgelegenheid en daarmee relatief veel belangrijker dan in de VS (46 procent) en Japan (33 procent). Het mkb is onontbeerlijk voor het innovatieve proces in Europa, zoals tijdens de uitreiking van de IST Awards herhaaldelijk wordt benadrukt.
Waar is het mkb op deze conferentie? De lijst van 2700 deelnemers toont de aanwezigheid van onderzoekers van multinationals, technische universiteiten, nationale en Europese onderzoeksinstellingen. Maar het mkb is niet te vinden. Toch is er in het Zesde Kaderprogramma veel geld toebedacht aan het midden- en kleinbedrijf, meer dan _ 2 miljard. Maar tussen droom en daad bestaan soms lastige hindernissen, ook hier. De grootschaligheid van het Kaderprogramma sluit simpelweg niet aan op de kleinschaligheid van het mkb. De Europese Commissie benadrukt dat de landelijke contactpunten voor het Kaderprogramma extra hun best moeten doen om het mkb er toch bij te betrekken.
Bij mkb Nederland reageert ict-woordvoerder Ton Ravesloot geïrriteerd op de gekozen aanpak: "Wie heeft er zoiets stoms bedacht. Ik zie grote potten geld, maar hoe moet ik eraan komen. Wat kan het Nederlandse mkb nou in hemelsnaam met dergelijke grote themaprogramma's. Busquin wil zo de Amerikanen inhalen, maar die hebben het toch beter voor elkaar". Ravesloot verwijst hiermee naar de Amerikaanse sbir/sttr-regeling (small business innovation research/small business technology transfer). Deze regeling schrijft voor dat bij overheidsinvesteringen met een hoog innovatief gehalte verplicht 2 procent bij midden- en kleinbedrijven moet worden gespendeerd. Die krijgen daardoor de mogelijkheid innovatieve ideeën via 'high risk/high pay-off' onderzoek te ontwikkelen tot commercieel succesvolle producten. Voorbeelden daarvan zijn Lightwave Electronics en Hecht-Nielsen Neurocomputer Corp. die de afgelopen jaren met hun sbir-producten respectievelijk 50 en 230 miljoen dollar omzet hebben behaald.
In een recent interview heeft Busquin verklaard dat KP6 zal bijdragen aan meer Europese cohesie. Een voorzichtige conclusie mag zijn dat het dan gaat om samenhang in de Europese bovenbouw, de wereld van nationale en Europese onderzoeksinstellingen, universiteiten en r&d-afdelingen van multinationals als Philips, Alcatel en Ericsson.

Meer dan 3 procent bbp besteden

Zelfs in lijstjes van de Europese Commissie is het terug te vinden: Nederland ambieert in 2010 een toppositie in de Europese kenniseconomie. Hoe dat bereikt moet worden, is al sinds de Europese ict-top van Lissabon (maart 2000) niet erg duidelijk. Met het aantreden van het kabinet Balkenende halverwege dit jaar is het beeld ronduit schimmig geworden.
Enige feiten. Wil de EU de VS in 2010 voorbij streven als concurrerende economische macht, dan dient al ruim daarvoor in de EU jaarlijks meer dan 3 procent van het bbp (binnenlands bruto product) in onderzoek en ontwikkeling te zijn gestopt. In Europa behalen nu alleen Denemarken, Zweden en Finland die hogere score. Nederland geeft gemiddeld circa 2 procent van zijn bbp uit aan innovatie, waarvan de overheid en het bedrijfsleven grofweg ieder de helft financieren. Volgens de gemaakte afspraken zal het Nederlandse bedrijfsleven zijn aandeel moeten verdubbelen, wil het aan de beoogde 3 procent r&d-investeringen komen. De ict-sector zal daarbij een belangrijke rol moeten spelen, vanwege de economische groeikracht van de sector zelf en het toenemend belang van ict in andere bedrijfstakken.
Voorjaar 2002 installeerde het tweede paarse kabinet het ICT Forum, een breed samengestelde groep van topbestuurders, die de nationale investeringen in ict-onderzoek in vier jaar tijd moet zien te verdubbelen. Deze deskundigen verzochten daarom na de verkiezingen van mei het nieuw te vormen kabinet om het jaarlijkse publieke budget voor ict-onderzoek te verhogen, van _ 120 naar _ 240 mln. Ze kregen nul op het rekest. Uit de regeerafspraken van het kabinet Balkenende kwam bovendien naar voren dat op tal van nationale ict-subsidies bezuinigd zou gaan worden.

Informatiedag Zesde Kaderprogramma
Op 10 december organiseert Senter/EGL, het Nederlandse contactpunt voor Haagse en Brusselse subsidiegelden, in Rotterdam een informatiedag over het Zesde Kaderprogramma. Vragen zullen onder meer worden beantwoord door ir. Frans de Bruïne, een Nederlandse topambtenaar op het Europese Directoraat-Generaal voor de Informatiesamenleving. Inlichtingen: Senter/EGL, tel: 070 361 0250)
Het kabinet heeft inmiddels besloten een brede Commissie Wetenschaps-, Technologie-, en Informatiebeleid (Cwti) in te stellen, die de subsidieregelingen van de verschillende ministeries beter moet gaan coördineren. Effectiviteit, daar gaat het om. Dat bleek ook uit een recente brief van minister Hoogervorst van EZ aan de Tweede Kamer. Daarin meldt hij dat uitgaven voor publieke r&d de komende jaren zullen teruglopen. Maar er is niets ergs aan de hand, zo blijkt. Want: niet hogere uitgaven moeten het doel zijn maar hogere opbrengsten uit de uitgaven, schrijft de bewindsman.

Kansen voor Nederland

De nieuwe beleidsrichting luidt dus dat met minder geld maar een hogere effectiviteit toch de hooggestelde ambities bereikt kunnen worden. Een mooie droom erbij? Wellicht, want hoe met minder publiek r&d-geld hogere onderzoeksinvesteringen van bedrijven uitgelokt kunnen worden, liet minister Hoogervorst onvermeld. Voorlopig is het daarmee beroerd gesteld. Ericsson en Lucent Technologies hebben recent hun Nederlandse r&d-afdelingen gesloten en KPN heeft zijn r&d de deur uitgegaan. Geschat verlies aan werkgelegenheid: 1000 hoogwaardige kennisbanen. Inmiddels heeft ook Philips laten weten dat zijn r&d-activiteiten wel eens op een termijn van vijf tot tien jaar volledig uit Nederland kunnen verdwijnen.
Tegen deze zorgelijke achtergrond vormt het binnenhalen van Europese stimuleringsgelden een aanlokkelijke zaak. Wat zijn de kansen daarin voor Nederland? De Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) heeft deze vraag op verzoek van het vorige kabinet bestudeerd. Positief is dat Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven ervaring hebben opgedaan met consortiavorming, zo oordeelt de Raad, en bovendien is de kwaliteit van de Nederlandse wetenschap goed. Knelpunten ziet de AWT ook: onvoldoende mensen en middelen in het onderzoeksbestel, gebrek aan bekwame researchmanagers, en het ontbreken van de wil om noodzakelijke keuzes te maken. Dit laatste punt is kortgeleden ook sterk benadrukt door prof. Luc Soete van de Universiteit van Maastricht. Hij wijst op het verschijnsel dat Nederland als kleine lidstaat binnen de EU de concurrentie tussen universiteiten heeft aangemoedigd, daar waar samenwerking voor de hand had gelegen om juist op EU-niveau tot de vereiste schaalgrootte te kunnen komen.
Alle problemen overziend is het twijfelachtig of Nederland in het Zesde Kaderprogramma goed zal kunnen meedraaien. Verbetering van deze situatie dient een politieke prioriteit te zijn. Het kabinet dat na de verkiezingen van januari aan de slag gaat, zal allereerst moeten komen met een goed doortimmerde visie op het te voeren kennis- en ict-beleid. Alleen zo ontstaat een fundament waarop in de samenleving verder kan worden gebouwd.

 
Hans Sleurink, freelance medewerker

x

Om te kunnen beoordelen moet u ingelogd zijn:

Dit artikel delen:

Stuur dit artikel door

Uw naam ontbreekt
Uw e-mailadres ontbreekt
De naam van de ontvanger ontbreekt
Het e-mailadres van de ontvanger ontbreekt

×
×
article 2002-12-06T00:00:00.000Z Hans Sleurink
Wilt u dagelijks op de hoogte worden gehouden van het laatste ict-nieuws, achtergronden en opinie?
Abonneer uzelf op onze gratis nieuwsbrief.