'Veel Nederlandse studenten schrijven malware'

21-08-2008 09:55 | Door Diederik Toet | Lees meer artikelen over: Malware, Social media | Lees meer over het bedrijf: Kaspersky | Er zijn nog geen reacties op dit artikel | Permalink

Veel leerlingen en studenten op Nederlandse scholen maken zich schuldig aan cybercriminaliteit. Ze schrijven vaak malware waarmee ze chatprogramma's als MSN bestoken. Ook zakelijke netwerksites als LinkedIn zullen eraan ten prooi vallen.

In Nederland blijken veel scholieren en studenten zich actief bezig te houden met het schrijven van malwarecodes en phishingaanvallen. Dat zegt virusanalist Roel Schouwenberg van Kaspersky Lab op de site Security.nl. Volgens hem maken vooral Oost-Europeanen die een Nederlandse opleiding volgen, zich schuldig aan de praktijk.

Het niveau van de kwaadaardige codes is niet hoogstaand, aldus de virusanalist. De aanvallen richten zich voornamelijk op het chatplatform MSN, bijvoorbeeld in de vorm van een backdoor. Dat is een functionaliteit die op slinkse wijze het beveiligingsmechanisme van software weet te omzeilen. "De penetratiegraad van MSN is gewoon gigantisch hier", zegt Schouwenberg. Hij vermoedt dat weinig mensen zich bewust zijn van de beveiligingsproblemen van instant messaging, zoals MSN. "Het lijkt erop dat de gebruiker voor elk platform moet leren om er veilig mee om te gaan."

Sociale netwerken

Schouwenberg waarschuwt dat ook sociale netwerkplatformen als Facebook en LinkedIn ten prooi zullen vallen aan webdreigingen. Zakelijke informatie is interessant voor cybercriminelen. "De hoeveelheid informatie op Facebook is de droom van een aanvaller en de nachtmerrie van een security officer."

Top 10 Reagerende members
  Aantal reacties
met 3+ sterren
Gemiddelde
waardering
Klik voor meer info1 154 6.4
Klik voor meer info2 120 6.7
Klik voor meer info3 109 6.4
Klik voor meer info4 79 6.6
Klik voor meer info5 53 6.1
Klik voor meer info6 49 6.3
Klik voor meer info7 47 6.5
Klik voor meer info8 43 6.1
Klik voor meer info9 43 6.0
Klik voor meer info10 40 6.3