De drie metaal-3d-printers die Defensie aanschafte, worden in China in elkaar gezet. Ook sommige componenten komen uit China. Maar de kritieke onderdelen van dit systeem zijn van Europese en Japanse fabrikanten.
Staatssecretaris Derk Boswijk (Defensie) stelt dit in antwoord op vragen van Tweede Kamerlid Maes van Lanschot. De CDA-parlementariër vroeg zich af waarom Defensie 3d-printers van Chinese makelij aanschaft, terwijl er ook Nederlandse producenten zijn die systemen van dezelfde of hogere kwaliteit aanbieden. De software is op een afgesloten netwerk te gebruiken, waardoor gegevens niet op externe of mogelijk onveilige servers hoeven te worden verwerkt. Volgens Boswijk klopt dit niet. ‘Defensie heeft een aanbesteding in concurrentie op de markt gezet met een waarde van zes miljoen euro voor drie metaalprinters, inclusief optieruimte, software, installatie, instructie, dienstverlening en onderhoud voor een periode van vijf jaar.’
Volgens de staatssecretaris is de opdracht conform de Aanbestedingswet met een Europese openbare aanbestedingsprocedure gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving. Eén van de geselecteerde producten is afkomstig van een Europese leverancier, maar wordt in China geassembleerd.
Het CDA vraagt zich af of deze aanschaf strijdig is met de kabinetsambitie om meer defensie-orders aan de Nederlandse maakindustrie te gunnen. Boswijk zegt dat Defensie zich aan de aanbestedingsregels moet houden. Inschrijvende partijen en de producten die zij aanbieden mogen niet worden uitgesloten op basis van nationaliteit of herkomst.
Defensie wil met deze printers onderzoek doen naar de potentiële operationele toepassingen van 3d-printtechnologie. Het doel is om ervaring en kennis op te doen met het ontwerpen en produceren van metalen reservedelen voor uiteenlopende machines en voertuigen. Deze techniek biedt nieuwe mogelijkheden om gevechtsschade snel te repareren. De aanbesteding betreft slechts enkele printers en geen productielijn, waardoor een eventuele overstap naar een ander systeem mogelijk blijft. Volgens Boswijk is de afhankelijkheid van deze specifieke printers laag en is Defensie er operationeel niet van afhankelijk.

Als een Europese aanbieder wint met apparatuur die in China wordt geassembleerd, is de interessante vraag dus niet of de regels voor een aanbesteding wel goed zijn gevolgd. De interessantere vraag is of de uitvraag de strategische doelstellingen van Defensie om eigen industrie te versterken goed is vertaald naar toetsbare gunningscriteria. EMVI lost een slechte vraagstelling niet op want je kunt prachtig objectief de economisch meest voordelige inschrijving selecteren en toch strategisch de verkeerde uitkomst krijgen. Hierdoor kan de Europese aanbieder winnen met apparatuur die Europese en Japanse componenten omvat welke in China geassembleerd worden.
Een onderneming kan juridisch Europees zijn, Europees intellectueel eigendom bezitten en Europese/Japanse componenten gebruiken. Maar wanneer assemblage, kritieke grondstoffen, onderdelen, firmware, productiemiddelen of reservedelen door een Chinese schakel moeten dan bepaalt uiteindelijk de logistieke werkelijkheid of Defensie het materieel kan krijgen, gebruiken en herstellen.
Daarmee komen we aan leveringszekerheid, ketenafhankelijkheid, Europese productiecapaciteit en industriële participatie welke me doen denken aan een Europese chipmaker met Chinese eigenaar. Boswijk is dan ook abuis over de strategische waarde van 3D printers als uit het experiment blijkt dat operationele slagkracht met 40% is toegenomen omdat er minder logistieke afhankelijkheid is van reserveonderdelen.