Fuserende en uitbreidende bedrijven hebben baat bij eai

Magische meercomponentenlijm

Dit artikel delen:

Enterprise application integration (eai) komt in beeld wanneer een bedrijf de informatie-uitwisseling tussen software-toepassingen goed voor elkaar wil hebben en zo kosten wil besparen. Maar hoe knopen ict'ers mainframe-databases aan een woud van kantoorapplicaties? Zelf bouwen of een applicatieserver inrichten?

 
Velpon-it

Enterprise application integration (eai) lijkt het stadium van de hype inmiddels voorbij. Bedrijven met een spaghettivormige ict-infrastructuur hebben de eai-technologie thans op de weegschaal van de bruikbaarheid liggen. In een serie artikelen kijkt Computable over hun schouder mee.
Sommige ict'ers beschouwen het als het nieuwste modewoord voor het selecteren en aaneenrijgen van informatie uit databases, handelsapplicaties, kantoortoepassingen, e-mail en andere ict-toepassingen die door een bedrijf worden ingezet. Echter, eai afdoen als een modewoord is onterecht. Het is (ook) een strategie. De trend naar de integratie van ict-toepassingen lijkt voordehandliggend in de eenentwintigste eeuw.
Dieter Deramoudt, voor BEA in de Benelux een van topsysteemontwerpers, beschouwt eai als de volgende logische stap in de ontwikkeling van ict-toepassingen: "Vroeger had een bedrijf een mainframe, nu wil het toeleveringsketenbeheer."
Dat er gezocht wordt naar middelen om alle software met elkaar te verbinden, heeft te maken met de opkomst van de elektronische winkels (à la Amazon), logistieke systemen (zoals Fedex) of marktplaatsen (bijvoorbeeld Tradezone). Het komt ook door de consumenten die via internet hun boodschappen bestellen, huiseigenaren die er naast de belastingaangifte de standen mee doorgeven van gas- electriciteit- en watermeters, en stelletjes die op de gemeente-site melden te zijn getrouwd of gescheiden.
Het allerbelangrijkste argument voor eai is evenwel het feit dat bedrijven hun werkwijze en technische aanpak kunnen aanpassen met minieme gevolgen voor bijvoorbeeld de productie. "Het is de globalisering", zegt Marc Schuuring, eai-specialist bij Accenture. "Na fusies en overname hebben bedrijven drie of vier verschillende erp-systemen binnen de muren." Volgens hem is koppeling via eai een van de weinige middelen om de fusies succesvol te maken. "De integratie moet vooral snel zijn. Daarom weegt de benodigde tijd zoveel meer dan bijvoorbeeld de ict-kosten, waaronder softwarelicenties."
Naast fuserende multinationals hebben ook uitbreidende conglomeraten baat bij eai. Een concern als KBB bijvoorbeeld bestaat uit onder meer elektronicawinkels, doe-het-zelf-zaken en kledingwinkels. Die behouden naar leverancier en klant hun eigen aanpak, maar kunnen achter die facade met eai kosten sparen en tijd winnen.
Van beide typen bedrijf wordt ook vereist dat ze snel in staat zijn een inzicht te geven hoe het ervoor staat. Schuuring: "Het wordt niet meer geaccepteerd dat een bedrijf pas weken na het afsluiten van een kwartaal met cijfers komt."

Scripts of applicatieservers?

Eai is een schil om de bestaande hard- en software; hiermee is zonder menselijke tussenkomst informatie te transporteren uit de ene ict-toepassing naar de andere. Ict'ers hebben er hun eigen koosnaampje voor: automagisch. Grofweg zijn er twee manieren om met eai aan te vangen. Zelf doen met een groot aantal scripts of via applicatie- of integratieservers.
Met scripts kan veel, maar eai? Scriptmagiërs houden net zo makkelijk een server-park in de lucht, bouwen er een backup-systeem mee op, houden er ver verwijderde netwerkonderdelen mee in de gaten, of synchroniseren adresgegevens op handcomputers met mainframedatabases.
Het nadeel van zelfbouw is dat er veel tijd en geld kan gaan zitten in het ontwerpen en testen van de scripts. En met iedere uitbreiding, nieuwe toepassing en opwaardering begint het werk opnieuw, zie kader. "Onderhoud wordt een nachtmerrie", concludeert Narasinga Rao, topman van eai-bedrijf Component Insights, in het EAI-Journal.
Zelfbouw heeft als risico dat de integratie stuk voor stuk, applicatie voor applicatie, wordt uitgevoerd. Dat is duur; de integratie-uitgaven komen keer op keer terug. Gebeurt de integratie daarnaast zonder strategie, dan ontstaat de behoefte eraan op steeds andere plekken in het bedrijf. Iedere soort middleware dat koppelingen aanlegt tussen de bestaande applicaties, komt met eigen hardware-voorkeuren, implementatiekosten en onderhoud.

Een stukje Siebel, een stukje SAP
Een typisch voorbeeld van een bedrijf dat baat heeft bij eai, is het energiebedrijf Nuon. Het ontstond in 1999 uit de fusie van een viertal regionale energiebedrijven, voegde later nog het Nederlandse Norit en het Duitse Unit-e toe, en begint activiteiten in onder andere de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
Zoveel onderdelen, zoveel ict-systemen; het ene bedrijfsonderdeel besteedt ict-beheer uit, het andere doet het zelf. "Iedere fusie verrijkt ons met nieuwe functionaliteiten", aldus senior applicatieconsultant Frans Blanckenburg, een van de automatiseerders bezig met het eai-traject van Nuon. Het bedrijf wil uiteindelijk toe naar enkele grote systemen die door alle bedrijfsonderdelen gebruikt worden; één personeelsinformatiesysteem, één erp-systeem, één klanteninformatiesysteem. "Zoiets realiseer je niet ineens. Daarnaast gooi je gedane ict-investeringen niet weg."
Voor wie niet met scripts wil priegelen, zijn er aardig wat alternatieven. Applicatieservers ondersteunen software van andere partijen en zijn aan te passen aan nieuwe software. Integratieservers integreren vooral bestaande toepassingen tot een meta-toepassing. De 'integratiecentrales' zijn op nog een andere manier onder te verdelen in 'message-oriented' middleware en webservices. Beide bieden een methode voor het ontvangen, doorgeven en bewaren of verwijderen van berichten tussen applicaties. De 'message-oriented' middleware maakt gebruikt van allerlei soorten berichtenverkeer, van e-mail, ftp tot softwarebus of software-adapter. Webservices gebruiken http voor transport.
Het grote verschil tussen de zelfbouw en de eai-oplossingen van derden is dat laatstgenoemden er in ieder geval voor moeten zorgen dat de integratie geschiedt volgens een strategie. Eén die alle aspecten van de bedrijfsvoering aankan en mogelijkheden biedt voor alle aanwezige integratiebehoeftes, ict-systemen en toepassingen.
Maar wie zijn de leveranciers van de acht belangrijkste applicatie- of integratieserver pakketten? Het maandblad EAI-Journal noemt IBM, Tibco en webmethods als de meest gevraagde leveranciers, met tussen de 15 tot 10 procent van de Amerikaanse markt. Sybase, Mercator en Bea staan respectievelijk achtste, negende en tiende. Deze drie hebben elk ongeveer 5 procent van de markt in handen. IDC zet in Europa IBM en Tibco bovenaan, met ruim 15 procent van de markt (cijfers over 1999 - 2001). Seebeyond, Mercator en Viewlocity, Vitria en Iona hebben tussen de 7 en 3 procent van de markt in handen. Oracle, Webmethods en Sybase zijn de laatste van de top tien, met elk zo'n 3 procent van de markt.

Corba als as

Het toverwoord van eai is niet Java maar xml. Alle leveranciers lossen de complexe integratiepuzzels op door gebruik te maken van een reeks internationale afspraken over software. Corba (common object request broker architecture) vormt daarvan meestal de basis, xml (extensible markup language) zit er altijd in.
Het gebruik van corba maakt een eind aan het ontwerpen (en onderhouden) van de talrijke interfaces tussen applicaties onderling. Alle applicaties maken contact met een centrale, die alleen hoeft bij te houden welke toepassingen een kopie moet ontvangen van een bericht van een bepaalde applicatie. Zie corba als de as in een fietswiel, de spaken zijn de koppelingen naar de toepassingen.
Wil het toepassen van corba slagen, dan moeten de centrale en de toepassingen elkaars berichten wel kunnen begrijpen. Hier doet xml haar entree. Zij is weliswaar een verbetering van html, maar kan op zichzelf geen einde maken aan de spraakverwarring tussen toepassingen. Verzender en ontvanger maken met xml de afspraak dat bijvoorbeeld de tag gegevens bevat over een winkel.
Afspraken over wereldwijd uitwisselbare xml-code worden gemaakt binnen beroepsorganisaties zoals Rosettanet voor de halfgeleiderindustrie, Swift voor banken en financiële instellingen, HL7 voor de gezondheidszorg of Oasis, een non-profit koepelorganisatie.
Het derde buzzword van eai is soap (simple object access protocol) dat met xml-tags datauitwisseling over netwerken mogelijk maakt, gelijk aan html. Zo ontstaan webservices, met het uddi-protocol (universal description, discovery and integration) en wsdl (web services description language) als belangrijke bouwstenen. Uddi en wsdl zijn een via xml te benaderen database van namen en adressen van bedrijven respectievelijk een op xml-gebaseerde taal waarmee producten en diensten mee te beschrijven zijn.
 
* In theorie hebben n applicaties n(n-1) interfaces nodig. In werkelijkheid zoekt een toepassing contact met ongeveer 30 procent van de andere toepassingen. Zijn er acht applicaties en wil men een negende toevoegen, dan moeten 8 x 0,3 x 2 ofwel vijf nieuwe interfaces geschreven worden.

 
Gijs Hillenius, redacteur

x

Om te kunnen beoordelen moet u ingelogd zijn:

Dit artikel delen:

Stuur dit artikel door

Uw naam ontbreekt
Uw e-mailadres ontbreekt
De naam van de ontvanger ontbreekt
Het e-mailadres van de ontvanger ontbreekt

×
×
article 2003-01-17T00:00:00.000Z Gijs Hillenius
Wilt u dagelijks op de hoogte worden gehouden van het laatste ict-nieuws, achtergronden en opinie?
Abonneer uzelf op onze gratis nieuwsbrief.