In de rubriek De Overstap gidst ict‑journalist Robbert Hoeffnagel de ict-pro en -beslisser naar soevereine zakelijke oplossingen. In deel 9 bespreekt hij het recent uitgekomen, opzienbarende boek The Nerd Reich van journalist Gil Durán.
Dit is toch wel een explosief boek. Alleen de titel al: The Nerd Reich: Silicon Valley Fascism and the War on Democracy (Simon + Schuster UK). Journalist Gil Durán beschrijft daarin wat hij ziet als de politieke ontwikkeling van een deel van Silicon Valley: van een wereld die vooral bekendstond om technologie, innovatie en ondernemerschap naar een omgeving waarin sommige invloedrijke techondernemers volgens hem steeds nadrukkelijker politieke ideeën en ambities uitdragen.
Het boek is onlangs verschenen en past opvallend goed in de discussie die we ook in De Overstap regelmatig tegenkomen. Want zodra we het hebben over digitale soevereiniteit en digitale autonomie, gaat het al snel over onze afhankelijkheid van grote Amerikaanse technologiebedrijven. Meestal gaat die discussie over cloudplatformen, software, data, wetgeving en lock-in. Durán kijkt echter vooral naar een andere dimensie: de politieke ideeën van mensen die binnen de technologiesector zeer veel economische en maatschappelijke invloed hebben opgebouwd. En die volgens de auteur democratie en vrijheid vooral als sta-in-weg voor hun zakelijke doeleinden lijken te zien.
Stevige termen
Durán is geen buitenstaander van de Amerikaanse politiek. Hij werkte eerder als adviseur voor onder anderen Jerry Brown, Dianne Feinstein en Kamala Harris en keerde daarna terug naar de journalistiek. In The Nerd Reich richt hij zich onder meer op bekende namen als Peter Thiel, Marc Andreessen, Balaji Srinivasan en Elon Musk. Hij probeert hun ideeën terug te voeren op intellectuele stromingen waarin veel nadruk ligt op individuele vrijheid, een zeer beperkte rol van de overheid en nieuwe door technologie ondersteunde vormen van bestuur waarbij techbedrijven, maar vooral hun ceo’s de rol van de overheid overnemen.
Daarbij gebruikt Durán stevige termen. De ondertitel spreekt expliciet over “Silicon Valley Fascism and the War on Democracy”. Zijn centrale stelling is dat er binnen een deel van de techwereld een beweging is ontstaan die niet alleen bestaande overheden bekritiseert, maar ook nadenkt over fundamenteel andere manieren om economie en samenleving te organiseren. Technologie, AI, cryptovaluta en sociale media spelen daarbij volgens hem een veel belangrijkere rol dan bijvoorbeeld democratie.
Dat zijn uiteraard de analyses en conclusies van Durán. Wie wil beoordelen hoe overtuigend die zijn, zal het boek zelf moeten lezen. Maar alleen al het feit dat een boek met deze boodschap nu verschijnt en behoorlijk wat aandacht krijgt, is interessant.
Voor De Overstap is vooral dat laatste relevant. We kijken bij digitale autonomie meestal naar de technologie die we gebruiken en naar de bedrijven waarvan we afhankelijk zijn. The Nerd Reich voegt daar een andere vraag aan toe: speelt het ook een rol welke maatschappelijke en politieke ideeën leven bij de mensen die deze technologiebedrijven leiden, financieren of beïnvloeden?
Als bedrijf moeten vechten om je content terug te krijgen
Soms kom je een verhaal tegen dat in één klap duidelijk maakt waar digitale autonomie uiteindelijk over gaat. Niet alleen over Europese regelgeving, geopolitiek of ingewikkelde discussies over cloudsoevereiniteit, maar ook gewoon over de vraag: kan ik morgen nog bij mijn data en bestanden?
Creative Bloq beschreef onlangs het opmerkelijke verhaal van Nine PBS in het Amerikaanse St. Louis. Deze omroep probeert toegang terug te krijgen tot zo’n 50 terabyte aan materiaal uit een archief dat zeventig jaar bestrijkt. Een historische goudmijn, zeg maar.
De omroep kon geruime tijd niet meer bij al die bestanden. Dat probleem ontstond niet doordat harde schijven crashten of hackers toesloegen. De opslagleverancier verdween simpelweg van het toneel. Nine PBS maakte al jaren gebruik van het bedrijf Open Source Storage. Begin dit jaar reageerde de leverancier ineens niet meer. Toen het contract in maart afliep, verloor de omroep uiteindelijk de toegang tot zijn bestanden. Later bleek dat het bedrijf financieel was omgevallen. De data zelf stond echter nog gewoon op servers in een datacenter van Iron Mountain. Alleen had Iron Mountain geen contractuele relatie met Nine PBS en kon het de bestanden dus niet zomaar teruggeven. Er waren rechtszaken en rechterlijke bevelen voor nodig om uiteindelijk een procedure voor teruggave op gang te brengen.
En precies dat vind ik interessant in het kader van De Overstap. We zeggen nogal makkelijk dat onze bestanden ‘in de cloud’ staan. Dat klinkt bijna alsof ze daarmee automatisch veilig zijn. Maar eigenlijk zeggen we alleen maar dat ze ergens op computers van iemand anders staan. Voor techneuten is dat verschil heel duidelijk, maar voor met name business managers en financieel georiënteerde mensen is dat onderscheid vaak helemaal niet duidelijk. Met alle risico’s van dien.
Bij digitale soevereiniteit kijken we vaak naar de nationaliteit van een leverancier, Amerikaanse wetgeving, encryptie of de locatie van een datacenter. Allemaal belangrijk. Maar daar hoort natuurlijk ook een heel eenvoudige vraag bij: hoe krijg ik mijn data terug als mijn leverancier morgen ophoudt te bestaan? Een contract waarin staat dat je leverancier je netjes dertig dagen geeft om je data terug te halen, is natuurlijk weinig waard als die leverancier nergens meer op reageert.
Misschien moet we iets – ik zou bijna zeggen – heel ouderwets aan digitale autonomie toevoegen: zorgen dat belangrijke data ook ergens anders staan. Op lokale opslag, bij een tweede leverancier of in een omgeving waarvan je zelf een volledige kopie kunt maken en terugzetten. Gewoon zoals een goede backupaanpak in elkaar hoort te zitten.
Daarmee wordt bij de keuze voor een cloudplatform ineens ook iets anders belangrijk. Niet alleen: hoe makkelijk krijg ik mijn data erin? Maar vooral ook: hoe makkelijk krijg ik alles er weer uit? Misschien is dat zelfs een van de beste tests voor digitale autonomie. Ook interessant: heeft iemand ooit daadwerkelijk getest of zo’n volledige exit ook echt werkt als je petabytes aan data gaat kopiëren naar een andere locatie?
Weg bij LinkedIn?
De laatste tijd betrap ik mezelf steeds vaker op een wat ongemakkelijk gevoel als ik LinkedIn open. Niet omdat er niets interessants te vinden is. Integendeel. Er wordt volop geschreven en gediscussieerd over digitale soevereiniteit, digitale autonomie, Europese cloud, open source en onze afhankelijkheid van Amerikaanse Big Tech. Maar juist dát maakt het een beetje vreemd.
LinkedIn is immers onderdeel van Microsoft. We voeren onze discussies over het verminderen van onze afhankelijkheid van Big Tech dus op een platform van een van de grootste Big Tech-bedrijven ter wereld. Een platform bovendien waarvan het verdienmodel voor een belangrijk deel draait om data, profielen, interacties. Kortom: alles wat wij er dagelijks achterlaten.
Dat wringt toch best een beetje. Het doet me bovendien denken aan een projectteam dat besluit een roadmap op te stellen voor de migratie van Microsoft 365 naar digitaal soevereine cloudservices, om vervolgens voor de projectvergadering gewoon een Teams-call in te plannen. Natuurlijk kan dat. En praktisch is het waarschijnlijk ook nog wel. Maar er zit een opmerkelijke (bizarre?) tegenstrijdigheid in.
De logische vervolgvraag is natuurlijk: als LinkedIn niet ideaal is, waar gaan we dan naartoe? En dan wordt het ingewikkeld. Een sociaal netwerk heeft pas echt waarde als de mensen met wie je contact wilt hebben er ook zitten. LinkedIn heeft precies dat voordeel. Vrijwel iedereen in de zakelijke IT-wereld heeft er een account. Je vindt er klanten, leveranciers, collega’s, oud-collega’s, onderzoekers, journalisten en mensen die gewoon interessante dingen schrijven. Een alternatief kan ongetwijfeld technisch beter, Europeser, opener en privacyvriendelijker zijn, maar als er nauwelijks iemand actief is, heb je er als zakelijk netwerk weinig aan.
Misschien moeten we daarom nog een stap verder denken. Hebben we eigenlijk wel een Europees of open source-alternatief nodig dat precies hetzelfde probeert te doen als LinkedIn? Wie zijn LinkedIn-feed een tijdje kritisch bekijkt, ziet namelijk hoogstwaarschijnlijk ook iets anders. Veel berichten zijn helemaal niet bedoeld om kennis uit te wisselen of een discussie te voeren. Het zijn vooral marketingberichten. Thought leadership dat uiteindelijk naar een product of dienst verwijst. Persoonlijke observaties die eindigen bij een commerciële boodschap. Of berichten waarvan het vooral de bedoeling lijkt om zichtbaar te blijven in het algoritme.
Daar is op zichzelf niets mis mee. LinkedIn is tenslotte een zakelijk platform. Maar het roept wel de vraag op wat we precies zouden willen vervangen. Willen we een Europees LinkedIn waarop we vervolgens precies hetzelfde gaan doen? Of hebben we behoefte aan iets anders: kleinere communities of forums met mensen die met dezelfde onderwerpen bezig zijn als wijzelf, nieuwsbrieven, blogs, Mastodon-achtige netwerken of misschien combinaties daarvan?
Ik weet het antwoord eerlijk gezegd niet (al begin ik wel een beeld te krijgen van wat ik zelf zou willen). Daarom deze keer vooral een vraag aan de lezers van De Overstap. Gebruikt u een goed alternatief voor LinkedIn? Een Europees platform, een open source-netwerk of misschien een heel andere manier om zakelijke contacten te onderhouden en kennis uit te wisselen? Bijvoorbeeld een RSS-reader met tal van feeds van interessante bloggers op uw vakgebied? Of moeten we accepteren dat LinkedIn voorlopig simpelweg de plek is waar iedereen zit, ook als we daar ondertussen discussiëren over hoe we minder afhankelijk kunnen worden van precies het bedrijf dat er eigenaar van is?
Als ik een iPhone koop, is hij dan eigenlijk wel van mij?
Bij mij is technologie nooit ver weg. Simpelweg omdat ik het veel te interessant vind. Dus lees ik altijd en overal. Zo belandde ik op Medhir.com, de persoonlijke website van Medhir Bhargava. Hij werkte eerder bij Microsoft aan complexe beveiligingsvraagstukken en gebruikt zijn huidige sabbatical onder andere om te schrijven over technologie.
Een van zijn ideeën sluit opvallend goed aan bij de discussie over digitale autonomie: waarom hebben we eigenlijk niet het recht om volledige controle te krijgen over een apparaat dat we zelf hebben gekocht? Bhargava noemt dat het “right to root access”. Wie een computer bezit, zou volgens hem in principe zelf moeten kunnen bepalen welke software en welk besturingssysteem daarop draaien. Dat geldt niet alleen voor laptops en pc’s, maar juist ook voor persoonlijke apparaten als smartphones en tablets.
En daar ontstaat een vreemde tegenstelling. Op een Mac kun je software buiten Apple’s eigen omgeving installeren en zelfs een ander besturingssysteem gebruiken. Op een iPhone of iPad bepaalt Apple veel strikter wat er mogelijk is. Terwijl een moderne smartphone technisch gewoon een krachtige computer is. Bhargava wijst erop dat Apple inmiddels zelfs dezelfde chipfamilies gebruikt in verschillende soorten apparaten – inclusief iPhones.
Natuurlijk is er een serieus veiligheidsargument voor het standaard vergrendelen van apparaten. Root-toegang kan risico’s opleveren. Bhargava bestrijdt dat ook niet. Zijn punt is subtieler: standaard beveiligd hoeft niet hetzelfde te betekenen als permanent afgesloten. Een eigenaar zou bewust moeten kunnen kiezen om die beveiliging op te heffen.
Dat maakt dit uiteindelijk tot een interessante soevereiniteitsvraag. We praten veel over keuzevrijheid in software en cloud. Maar misschien begint digitale autonomie nog fundamenteler. Als ik een computer of telefoon koop, wie bepaalt dan uiteindelijk wat ik ermee mag doen: de fabrikant of ik?
Interessant is trouwens wel hoe Bhargava op dit onderwerp kwam: hij wil een oudere iPhone gebruiken als server voor het selfhosten van een aantal applicaties. Die telefoon is er krachtsig genoeg voor, maar je kunt er zeker niet hetzelfde mee als bijvoorbeeld een server waarop Linux draait.
Interessante tools
Tenslotte nog een paar interessante tools die ik tegenkwam en die kunnen helpen om meer grip op de eigen digitale omgeving te krijgen.
De eerste is Feather Wiki. Het is een razendsnelle wiki die uit slechts een html-bestand bestaat. Je kunt daarin – zoals bij iedere wiki – informatie over allerlei onderwerpen verzamelen. Maar omdat alles in een html-bestand zit, werkt het op iedere computer. Sterker nog, zet het bestand op een geheugenstickje en je kunt je eigen wiki gewoon met je meenemen.
StaticHost.eu is een interessant voorbeeld van hoe digitale autonomie ook op een heel praktisch niveau vorm kan krijgen. Deze Zweedse firma biedt hosting voor statische websites voor zowel bedrijven als individuele gebruikers. Ze benadrukken dat niet alleen de servers in Europa staan, maar dat ook de onderliggende infrastructuur geheel Europees is. Volgens oprichter Eric Selin wordt bewust geen gebruikgemaakt van partijen als AWS of Cloudflare. Sites kunnen rechtstreeks vanuit een Git-repository worden uitgepubliceerd, met onder meer eigen domeinen, automatische SSL-certificaten en rollbackmogelijkheden. Voor wie een relatief eenvoudige website wil hosten zonder daarbij ongemerkt toch weer op Amerikaanse cloudinfrastructuur terecht te komen, is het in ieder geval een alternatief om eens serieus te bekijken.
En dan nog Miniflux. Dit is een compacte, open source RSS-reader voor wie nieuws en blogs liever zelf verzamelt dan zich volledig door algoritmes of sociale media te laten sturen. Wellicht als alternatief voor LinkedIn. De software kan op een eigen server worden geïnstalleerd, ondersteunt onder meer RSS, Atom en JSON Feed en is bewust vrij minimalistisch opgezet. Interessant vanuit het perspectief van digitale autonomie is vooral dat je zelf bepaalt waar de applicatie draait en welke feeds je volgt. Daarmee is Miniflux geen vervanger van sociale media, maar wel een praktische manier om informatie weer wat meer onder eigen controle te brengen.


Het is weer het terugkerende managementritueel. Iemand leest tijdens de vakantie een explosief boek en bij terugkomst heeft de organisatie plotseling een nieuw strategisch vraagstuk. Alleen heeft Hoeffnagel het boek kennelijk niet eens hoeven lezen. De titel, de aandacht en de vraag of de politieke denkbeelden van ceo’s ertoe doen zijn al voldoende om digitale soevereiniteit van een nieuwe hype te voorzien.
Het echte probleem is aanzienlijk saaier. Data waarvan je eigenaar bent maar waarover je niet kunt beschikken. Daarvoor heb je geen Nerd Reich nodig maar een contract, een onafhankelijke kopie en een aantoonbaar werkende exitstrategie. Soevereiniteit begint niet bij het nieuwste boek op het nachtkastje van de manager, maar bij controle die voor zijn vakantie al geregeld had moeten zijn.