Deze opinie is van een externe deskundige. De inhoud vertegenwoordigt dus niet noodzakelijk het gedachtegoed van de redactie.

Big Blue's donkerbruine verleden

Bijna elk concentratiekamp van de nazi's kende een zogeheten Hollerith Abteilung: een administratieve afdeling die beschikte over een IBM-ponskaarteninstallatie met ponsmachines, sorteerders en tabelleerders. De grote kampen hadden zelfs een eigen Hollerith-code, bijvoorbeeld Auschwitz (001) en Dachau (003).

Informatie over gevangenen werd met de Hollerith-systemen op kaarten geponst. Iedere gevangene kreeg een uniek, vijfcijferig Hollerith-nummer. Kampadministrateurs stuurden iedere dag actuele gegevens per telegraaf naar de centrale administraties in Berlijn. Dit identificatie- en traceringssysteem gaf de economische dienst van de SS de mogelijkheid de kampen eenvoudiger te beheren. Werden sommige kampen te vol, dan stuurde Berlijn een bericht welke geselecteerde gevangenen moesten worden overgeplaatst, geëxecuteerd of naar de gaskamer gestuurd.
'Zonder de IBM-apparatuur, het voortdurende onderhoud en de bevoorrading met ponskaarten hadden Hitlers kampen nooit zulke grote aantallen mensen kunnen verwerken', stelt de Amerikaanse onderzoeksjournalist Edwin Black in het boek 'IBM en de Holocaust'. Black houdt een indrukwekkend maar omstreden betoog - onder meer door de stelling dat er in Nederland relatief veel joden zijn gedeporteerd vanwege de hoogwaardige administratieve ponskaartinfrastructuur in de oorlog. Hij wil aantonen dat nazi-Duitsland door het gebruik van ponskaarttechnologie, die IBM als technologische partner gedurende het twaalfjarig bestaan van het Derde Rijk leverde, in staat was van de jodenvervolging een automatisch (lees: mechanisch) en systematisch proces te maken.
Black stelt dat de nazi's vanaf het begin van het Derde Rijk in 1933 naar zware technologische oplossingen zochten om de joden te identificeren. IBM, waarbij het Duitse onderdeel Dehomag (Deutsche Hollerith Maschinen Gesellschaft) in Europa de spil vormde, leverde de benodigde ponskaarttechnologie om in korte tijd overal volkstellingen te houden, waarbij tevens geregistreerd werd wie van joodse komaf was.
Onder veel historici is het boek van Black niet goed gevallen. Hij zou zich teveel focussen op het belang van de Holorith-technologie en te weinig oog hebben voor het scala van andere factoren. Gerard Aalders, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod), stelde in NRC Handelsblad dat IBM en zijn dochter Dehomag onmogelijk konden weten dat de Hollerith-machines zouden worden ingezet voor een misdaad waarvoor toen nog geen naam bestond. Volgens Aalders zijn de claims die holocaust-slachtoffers en hun nabestaanden nu tegen IBM hebben ingediend, pas terecht wanneer IBM de opdracht had gekregen een apparaat te ontwikkelen dat kon worden ingezet om de joden te vernietigen. Dat is echter nooit het geval geweest, oordeelt hij.
Toch is de reactie van deze beroepshistoricus niet bevredigend. Black kan niet bewijzen dat de IBM-functionarissen in de Verenigde Staten en Europa precies wisten dat hun oplossingen voor de Endlösung werden gebruikt. Maar hij schetst wel een overtuigend en onthutsend beeld van een concern dat tot ver in de Tweede Wereldoorlog samenwerkte met Duitsland, Italië en de bezettingsmachten in andere landen. Niet voor niets onderzochten eerst de FBI en later de afdeling economische oorlogsvoering van het Amerikaanse ministerie van Justitie de nazi-contacten van Big Blue. Tot een echte veroordeling kwam het nooit, logisch, omdat IBM met zijn technologie ook betrokken was bij geheime operaties van de geallieerden.
Black constateert dat IBM nooit enig vorm van protest heeft laten horen over wat zich afspeelde in Europa vanaf 1933. Het bedrijf weerstond ook de luider wordende roep in Amerika - met name te horen in New York waar het hoofdkantoor van IBM stond - om geen zaken te doen met Hitler. Hij typeert IBM als een autistische onderneming, verblind door zijn technologische oplossingen en het geld dat daarmee verdiend kon worden. Aan het hoofd stond Thomas J. Watson, een autocratische leider en gewetenloze kapitalist, die een meester was in het leggen van rookgordijnen om te voorkomen dat IBM in direct verband werd gebracht met verwerpelijke acties van de nazi's. Watson was nog net geen fascist, benadrukt Black, al bewonderde hij Mussolini (wiens portret op zijn vleugelpiano stond), ging hij geregeld op bezoek naar Duitsland, dronk hij thee met Adolf Hitler en was hij zeer vereerd door de toekenning van het nazi-kruis van verdienste, versierd met een Duitse adelaar en nazi-emblemen.
Black heeft een fascinerend maar tendentieus boek geschreven. Hij weet soms geen maat te houden en is op effectbejag uit wanneer hij beschrijvingen van de gruweldaden uit de Holocaust combineert met die van handelswijzen van de IBM-top, die daardoor al snel als laakbaar overkomen. Daar zit zijn grote betrokkenheid bij het onderwerp - Black is een zoon van Poolse overlevenden - hem in de weg. Desalniettemin leent het boek zich uitstekend voor een verdere discussie over economische collaboratie of, in minder beladen termen, het ethisch ondernemerschap. Het wachten is op een reactie van IBM. Tot nu toe hult het bedrijf zich in stilzwijgen, maar het zou een goede zaak zijn wanneer Big Blue openheid van zaken geeft in deze duistere periode uit zijn bestaan. Het verleden blijft het bedrijf anders achtervolgen.
 
IBM en de Holocaust. Het strategische verbond tussen nazi-Duitsland en de machtigste onderneming van Amerika.
Edwin Black, Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht 2001
ISBN 90-215-9812-4, prijs �50,50


Rik Sanders Redacteur

x

Om te kunnen beoordelen moet u ingelogd zijn:

Dit artikel delen:

Stuur dit artikel door

Uw naam ontbreekt
Uw e-mailadres ontbreekt
De naam van de ontvanger ontbreekt
Het e-mailadres van de ontvanger ontbreekt

×
×
article 2001-03-02T00:00:00.000Z Rik Sanders
Wilt u dagelijks op de hoogte worden gehouden van het laatste ict-nieuws, achtergronden en opinie?
Abonneer uzelf op onze gratis nieuwsbrief.